Anholt
Bouwgeschiedenis van de hoofdburcht
Gaat men van de hypothese uit dat de uit steen opgetrokken en met grachten omgeven kastelen veeal een met palissaden verstrekte walborg als voorloper hebben, dan zou deze zich ca. 100m. noordoostwaarts van de dikke toren op het in het huidige park gelegen zgn. Bergsken hebben kunnen bevinden. Tot het vroegste, voor 1169 gebouwde, complex behoren de dikke toren en een schuin hier tegenover liggende klein woonhuis.
Een muur die beide met elkaar verbonden omsloot een ovaal, hetwelk het eerst en tevens aantoonbare aanval – en verdedigingsbouwwerk vormde.
De in het moeras geheide palen dienden als fundament, de tufsteen als muren.
Een uibouw, waardoor de hoofdburcht vrijwel zijn huidige omvang moet hebben verkregen, vond in de eerste helft van de 14e eeuw plaats.
Ook hier diende paalfunderingen als fundament. Het muurwerk betrof echter een bakstenen constructie, want de baksteentechniek had zich intussen ook in deze streek ontwikkeld. Het oorspronkelijke woonhuis (noordoost hoek van de hoofdburcht) trok men als weerbaar huis op en de oost- en zuidvleugel werden om de zelfde reden vergroot. Zeer waarschijnlijk bracht men in eerste instantie aan de west- en noordvleugel begaanbare weergangen aan, die overal 2m. breed waren, met zes-hoekige wachttorentjes verschillende kanten duiden de nog zichtbare kraagsteen op oorspronkelijk verschillende hoogten. Een aan het begin van de 19e eeuw tussen de oost- en zuidvleugel dichtgemetselde valdeur bevestigt en bestaande beveiliging van de weergangen afzonderlijk van elkaar. Talrijke, gedeeltelijk dichtgemestelde schietgaten, waarvan er een aan de oostzijde nog geheel in tact is, duiden op het dubbel-verdieping-karakter van het weerbare kasteel.
De volgende verbouwing van de west- en noord- vleugel tot woonverblijven en de bouw van de beide hoektorens (trappenhuizen) in de noordwest- en de noordoosthoek van de binnenplaats moeten in de 16e eeuw voltrokken zijn.
Ca. 1700 werd het weerbare kasteel tot een representatieve residentie verbouwd. De dikke toren kreeg zijn huidige, steile helmdak. De woongebouwen die tot die tijd met een zgn. paters- en nonnendak waren bedekt, verkregen, evenals de weergangen en wachttorentjes, een leistenenafdekking. Bovendien werden grotere ramen ingebouwd en het gehele gebouw gepleisterd.
In de pleisterlaag liet men diepe horizontale en verticale voegen aanbrengen, die naar de mode van die tijd (barok) gebouwen steenblokken moesten imiteren. Aan de noordkant bouwde men een uit twee verdiepingen bestaande paviljoen waardoor een directe verbinding met de tuin werd geschapen. In de binnenplaats verkreeg het trappenhuis een nieuwe hoofdingang. Het portaal aan de zuidzijde van de hoofdburcht werd 1698 door Johannes Rendels uit Coesfeld met het middenstuk van het wapen van de vorsten van Salm versierd. In de jaren 1908 – 1910 liet vorst alfred II. (1846 - 1923) een terras aan de oostzijde aanleggen; tevens werd de zuidvleugel met de breedte van een verlengd. Aan het einde van de tweede Wereldoorlog werd het kasteel Anholt zwaar beschadigd.In de dooropvolgende restauratieperiode herstelde men een in de 19e eeuw aangebrachte verandering in de dakverdieping aan de zuidzijde. De vernielde pleisterlaag werd echter niet hersteld om het weerbare karakter van het gehele complex te accentueren. Om dezelfde reden zijn toen ook de groenstroken voor de west- noordvleugel verwijderd.
Anholt van binnen