De latere bouwperiode: periode IV en V
De latere bouwperiode: periode IV en V In de periode III bestond het kasteel dus uit verdiepingen tellende woontoren, de traptoren En het hoog ommuurde plein aan de noordkant. In periode IV werd aan het kasteel de oostvleugel toegevoegd. Later werd hieraan nog de vestibule aangebouwd. Van deze vleugel resteren sedert 1945 alleen nog maar funderingen tot 1-1 ½ meter hoogte – de tekeningen uit 1884 blijken nu zeer waardevol! In 1884 bevatte de vleugel boven de overwelfde kelder drie verdiepingen, waarvan de bovenste een zolderverdieping onder het lessenaardak was. Op de eerste verdieping was de keuken, met een schouw aan de westkant waarvan de schoorsteen door een gat in de muur van de woontoren werd geleid naar de schoorsteen op het dak. In de oostgevel van de woontoren waren diverse doorgangen naar de vleugel uitgebroken – vermoedelijk is hierbij zoveel moglijk gebruik gemaakt van eventueel al aanwezige vensternissen. Op oude foto's van de zuidgevel lijkt het alsof van de vleugel het onderste gedeelte (tot de onderkant van het onderste venster) gemetseld is van andere baksteen dan het bovenste gedeelte. Op de foto's van de woontoren na 1945 lijkt in het muurfragment van de vernielde vleugel ( het is in de jaren '70 ingestort) dit verschil zichtbaar J.Hardenberg deelde me mee dat hij dit destijds ter plekke ook had waargenomen: de bovenhelft van de vleugel was recenter dan de onderhelft. Op de foto's is te zien dat de bovenhelft gemetseld was in een staand metselverband. Het nog bewaarde muurwerk van de onderbouw is gemetseld in halfsteensverband met bakstenen van 25 x 12 ½ x 5 cm. Aan de vleugel werd waarschijnlijk pas later de vestibule aangebouwd. Op de afbeelding van Jan de Bever uit 1744 is het nog een rechthoekig gebouwtje met een zadeldak, dat aan de oostkant ver uitsteekt buiten de gevel van de vleugel. Het is duidelijk niet afgestemd op de maten van de rest van het kasteel. Met al die verschillende onderdelen maakt het kasteel een wat rommelige, onoverzichtelijke indruk. Om deze wanorde nog compleet te maken stond er bovendien op het plein nog een huisje aangebouwd tegen de traptoren. Van de vestibule en het huisje op het plein zijn nog stukken muurwerk bewaard in de gevels van de traptoren: ze waren gemetseld met bakstenen van 25 x 12 ½ x 5 cm, waarschijnlijk dus kort na de vleugel. De oorspronkelijke ingang van het kasteel, aan de noordkant in de traptoren, werd dichtgemetseld. Men kwam nu vanuit de vestibule door een nieuwe deur in de oostmuur in de traptoren. De vleugel was voorzien van grote vensters met kruiskozijnen. Dergelijke kruiskozijnen werden ook aangebracht op de 1e verdieping van de woontoren. Wat betreft de datering van de oostvleugel: J.H.Edelman legde verband met de sloopwerkzaamheden, die ca 1523 in opdracht van hertog Karel van Gelre werden uitgevoerd. In dat jaar is er een vermelding van “steyne, die van Nyenbeke gebraicken waeren”en die werden gebruikt bij de bouw van het blokhuis Altena. Dit blokhuis werd door hertog Karel opgeworpen voor de belegering van Deventer. Edelman zegt hierover: “Hertog Karel had Nijenbeek helemaal willen slopen, maar men wees hem erop, dat het huis heel geschikt was om toezicht op de vaart op den IJssel te houden en in plaats van ook den hoofdburcht slopen, beval hij een stuk er bij aan te bouwen”. Helaas vermeldt Edelman nergens zijn bronnen. Dit geldt ook voor de datering die hij geeft voor de verhoging van de vleugel: 17de eeuw. Het baksteenformaat van de onderbouw (25 x 12 ½ x 5cm) kan heel goed omstreeks 1523 dateren. Het resultaat van al deze verbouwingen is te zien op de tekening van Jan de Beyer uit 1744. Zoals daarop ook te zien is, was het kasteel toen nogal verwaarloosd. Het werd in 1741 als “oud en vervallen”beschreven. Ergens in de driekwart eeuw hierna werd het kasteel dan ook ingrijpend gerestaureerd: de derde verdieping werd uitgebroken (waardoor de ridderzaal hoger werd) en de borstwering metselde men opnieuw op met kleine bakstenen. Op de afbeeldingen van Sturm en Best is het resultaat van de restauraties te zien. De nieuwe borstwering was van grote vierkante openingen voorzien (deze zijn tegenwoordig dichtgemetseld) – of deze openingen er in de originele borstwering ook waren is onbekend.Bij de restauratie werd tevens de vestibule verkort tot op gelijke hoogte met de oostgevel van de vleugel en met een klein lessenaardak afgedekt. In de 19de en begin 20ste eeuw zijn er nog diverse reparaties uitgevoerd aan het kasteel, waarbij o.a. het schilddak door een puntdak werd vervangen, het huisje op het plein werd afgebroken en vervangen door een bakhuisje ( dat nu ook al weer is afgebroken) en het talud van de woontoren werd vernieuwd. De kruiskozijnen in de woontoren maakten plaats voor brede schuiframen van drie ruitjes breed, welke op hun beurt eind vorige eeuw werden vervangen door kleinere, smalle ramen, omdat de eigenaar die “beter in overstemming met het gebouw”vond.
