Gids voor Nijenbeek.

Gids voor Nijenbeek. December 1900 ten tijde dat den Hoogwelgeboren Heer A. Baron Schimmelpenninck van der Oye van Nijenbeek Heer van de Poll de eigenaar is. De schrijver van deze gids is: J.H. Edelman

Bezoek aan het Slot Nijenbeek.

Door de goede zorgen van den eigenaar ziet Nijenbeek er lang niet als een ruïne uit. Er is veel aan het slot hersteld, om zulks te voorkomen; in tegenstelling met vroeger wordt Nijenbeek goed schoon gehouden. Jammer is het, dat vele bezoekers niet kunnen nalaten, hun namen overal op te krassen. Zijn we op de een of andere manier bij het “ Hooge Huis “ gekomen dan gaan we naar de woning van den bewaarder bij het slot den sleutel vragen. We krijgen een gids mee. Langs een paadje, tusschen twee leuningen, komen we door een poortje op een binnenplein. Volgens onze plaat stond hier vroeger een put, welke later door een pomp is vervangen, doch de pomp is in onze dagen verwijderd. De deur van het slot is versierd met een klopper. Deze klopper is vervaardigd naar een anderen, die van vroeger dateerde. Hoewel de vorm dus wijst op vroegere dagen, is toch de klopper nog betrekkelijk nieuw. Reeds dadelijk hebben we u te waarschuwen, dat er slechts weinig voorwerpen op Nijenbeek zijn, die van lang vervlogen tijden kunnen getuigen. Verreweg de meeste zijn door den tegenwoordigen eigenaar aangebracht, om het slot enigszins te stoffeeren. De lage deur links verbergt een trap, welke naar de kelders geleidt. In die kelders waren vroeger meermalen gevangenen opgesloten. Hebt ge lust daar eens te kijken? Daal dan de trappen maar af. Deze kelders worden door dikke muren van elkander gescheiden, de zolderingen bestaan uit zware gewelven. De beide achterste worden elk door een vensteropening zeer spaarzaam verlicht. Deze openingen zijn daarbij nog van traliën aan den buitenkant voorzien. Dieper in de kelders kunnen we niets onderscheiden; hadden we een lantaarn meegenomen, dan zou de ruimte ons tegengevallen zijn en geen wonder waarlijk, want het onderste gedeelte van het gebouw moest dikke muren hebben. De ruimte in den voorsten kelder is grooter; daar zijn de muren lang zoo dik niet en we zullen later gelegenheid hebben op te merken, dat deze kelder en wat zich daar boven bevindt eerst in de zestiende en zeventiende eeuw is gebouwd. De nieuwe kelder is met ankers aan het hoofdgebouw vastgeklampt. Onze oogen zijn al eenigzins aan de duisternis, welke hier heerscht, gewoon geraakt en we zien nu een trap, die in het slot voert. Straks toen we in den middelsten kelder traden, bespeurden we haar niet. We zijn al lang genoeg hier geweest en wenschen deze plaats te verlaten. We gaan naar de trap, waarlangs we zoo even zijn afgedaald en staan spoedig weer op het pleintje. Onze gids heeft inmiddels de deur van het gebouw ontsloten. Bij het stoepje op komen we in de vestibule. Voor ons hangt een oud geweer; daarnaast prijkt het wapen van Gelre met de jaartallen 1364 – 1371. Toen woonde hier Hertog Reinald III en ’t is wel aardig bedoeld, door dit wapen en die jaartallen, den bezoeker direct aan die gebeurtenis te herinneren. Het wapenrek en de zoldering van de keldertrap in den hoek gaan we stilzwijgend voorbij. De gids opent de deur onder het geweer en laat ons een ruime keuken binnen treden. Deze keuken diende tot 1873 als woonvertrek voor den bewaarder; sedertdien is het gebouw onbewoond. De ijzeren plaat onder den schoorsteen stelt de bruiloft te Cana voor. De muurkastjes aan weerszijden van den schoorsteen zijn evenals de geheele keuken van betrekkelijk jongen datum. In oude gebouwen worden heel vaak zulke muurkastjes gevonden. De gesloten deur verbergt de trap naar de gewelven, welke we reeds in den kelder opmerkten. Boven deze trap zien we een schuine zoldering, welke de onderzijde vormt van een andere trap, die we straks wel zullen vinden. De gids zal ons afwisselend, dan in het nieuwe en dan in het oude gedeelte brengen. Toch hebben we den gids slechts te volgen. Gelukkig wordt de trap in den muur reeds beklommen. Wat is die muur dik! En toch doet hij slechts als binnenmuur dienst. Maar we herinneren ons, al gehoord te hebben, dat de keuken in de zestiende eeuw er tegenaan is gebouwd, en hij was voor dien tijd buitenmuur en moest dus wel een aanzienlijke dikte hebben. Het vertrek, waarin we nu treden, is zeer hoog. De zware balken maken de zoldering zeer soliede en zelfs in den muur voor ons kunnen we bij goed toekijken, balken opmerken. De steenen sluiten niet volkomen tegen het hout, wat er zeer duidelijk op wijst, dat de muur ook van lateren tijd is. Vóór dat deze muur daar werd aangebracht, waren de beide vertrekken aan weerszijden van den muur één en maakten de kamer van den slotvoogd, Peter van Steenbergen, uit. Het voorste vertrek wordt verlicht door een raam met in lood gevatte ruitjes. De buitenmuur is zoo dik, dat er in de nis gelegenheid tot zitten is. Door het raam hebben we een prachtig vergezicht, dat slechts door dat, hetwelk ons boven wacht, wordt overtroffen. Het tweede vertrek is het belangrijkste van het geheele gebouw. Rondom ons hangen een vijftal wapenborden van leden van de familie Schimmelpenninck van der Oye, aan welke familie het slot Nijenbeek en de omliggende landerijen toebehooren. De schoorsteen midden tegen den muur trekt onze aandacht door zijn bijzonderen vorm; deskundigen hebben uitgemaakt, dat hij van de dertiende eeuw is en hoogst zelden meer gevonden wordt. Ter weerszijden van den schoorsteen bevindt zich een deur. De deur links sluit een nauwe cel af, misschien de cel van de kloosterzuster, die volgens de legende op Hertog Reinald oppaste. De deur rechts verbergt een ruime cel, eens de gevangenis van den Hertog, van Reinald III. Deze cel is ruimer, omdat een gedeelte buiten den muur is uitgebouwd. Beide vertrekjes konden door het vuur onder den schoorsteen een weinig worden verwarmd. Al is ze ruimer dan de andere, toch komt de cel ons zeer eng voor. Het zou verschrikkelijk zijn, hier zeven jaren te moeten doorbrengen, met de weinige afleiding, die men in de veertiende eeuw binnenshuis had. Geen wonder, dat Reinald dik werd, geen wonder, dat waar hij zeven jaren niets, totaal niets uitvoerde, zijn lichaam den plotselingen overgang tot feestvieren en andere drukte na Eduards dood niet verdragen kon. En dat hij dik moest geweest zijn, blijkt wel uit het verhaal, dat zijn deur op het laatst niet meer behoefde gesloten te worden. Men moest een stuk uit den muur breken, om hem te bevrijden en men kan nog altijd aan den boog om de deur zien, hoeveel ruimte hij noodig had. Dat geheele stuk muur moest weggebroken worden. Deze deur in de cel …. hebt ge haar al geopend? Vergeef ons, dat we u niet vooraf waarschuwden. Maar nu ge toch daar gezien hebt, komt bij u de vraag op, hoe Reinald, toen hij zoo dik was, door de deur kon? Zou soms die verschrikkelijke dikte ook een legende zijn? Veel aannemelijker komt ons het volgende verhaal voor. De Hertog was ziek en moest na Eduards dood met zijn rustbed uit de cel worden gedragen, anders zou hij op de plaats zijner vernedering al die gasten moeten ontvangen, die hem met zijn herstelling in zijn waardigheden kwamen gelukwenschen. En voor het rustbed was de uitgang niet ruim genoeg. Maar zou soms de boog in den muur ook tot deze vertelling aanleiding hebben kunnen geven ? Zulke blinde bogen komen in oude gebouwen zeer veel voor, om den muur te versterken; we zullen straks in de gelegenheid zijn in den dikken binnenmuur nog meer bogen aan te wijzen. Op dezelfde hoogte vinden we daar net zoo’n boog. Zelfs beweren enkelen, dat de Hertog zich vrij kon bewegen in het slot, dat hij dus zijn woord had gegeven, niet te ontvluchten, of dat hem Nijenbeek als woning was aangewezen en dat zou uit de Deventer rekeningen kunnen blijken, dat hij met zijn zuster te Deventer ter maaltijd werd genoodigd, dat hij zelfs daar mee aanzat. Doch de Deventer rekeningen zijn op dat punt zeer onduidelijk. Let men op de ruwheid dier dagen, dan stemmen wij gaarne toe, dat de Hertog in zoo’n nauwe cel kon worden opgesloten. ’t Kan ook zijn, dat Eduard zijn broeder slechts van zijn waardigheden wilde ontzetten en zijn macht was in 1364 wel zoo groot, dat hij de aanhangers van Reinald niet meer duchtte. En dan was zulk een gevangen houden toch zeker onnoodig. Wij kunnen in deze geen partij kiezen voor de een of andere meening. We zien eens rond: de deur in de cel en de deur van de cel zijn zeer oud. Vooral de laatste met haar paneelen aan den binnenkant en met den gladden buitenkant is zeer merkwaardig. Voor het raam zijn traliën aangebracht. De wapens in de cel zijn de vier kwartieren van den eigenaar, den Hoogwelgeboren Heer A. Baron Schimmelpenninck van der Oye van de beide de Pollen en Nijenbeek, waarmede hij werd opgezworen in de Duitsche Orde, Balijne Utrecht. De eikenhouten banken, in de cel en in het vertrek met den schoorsteen, zijn naar modellen uit de dertiende eeuw vervaardigd. Om den hoek, tusschen den schoorsteen en de deur vinden we een paar muurkastjes, welke beide de geheele dikte van den muur innemen. Boven den schoorsteen hangt een oud geweer en hooger zijn een drietal speerpunten, in krammen gestoken, welke bij het huis zijn opgegraven. De deur daar in den muur verbergt weer iets, waarvoor we u nog bijtijds kunnen waarschuwen. De deur zelf, hoewel oud, is van elders gekomen. Ook dit vertrek wordt verlicht door een raam in een nis. Nadat we hier geruimen tijd hebben rondgekeken, gaan we weer terug naar het eerste vertrek. Deze beide kamers hebben steenen vloeren, wat we straks bij het zien van de zware gewelven wel konden denken. De zoldering bestaat uit planken, dus het vertrek op de tweede verdieping zal wel een houten vloer hebben. In vroegeren tijd vond men evenals nu die steenen koud, vooral in den winter en men belegde ze daarom met biezen. Bij hooge gelegenheden soms met bloemen, wat herhaaldelijk uit de rekeningen blijkt. Dit vertrek verlaten we door de deur in den hoek. We komen in een portaal en zien de trap naar beneden. De deur rechts verbergt de trap naar boven. Blijkbaar bestaat de wenteltrap uit twee gedeelten: als we van beneden waren gekomen, waren we om de spil rechts wendend geklommen; willen we hooger dan openen we de deur en klimmen links. De trap bestaat uit vele portalen; de zoldering daarvan is telkens rond. Wat zijn die treden uitgesleten! Reeds dadelijk in het eerste portaal zien we een deur, welke ons toegang verleent tot een kamertje onder de pannen, dat het portierskamertje wordt genoemd. Een weinig hooger vinden we een vertrek, dat door een houten beschot in tweeën wordt verdeeld. Noemen we de keuken gelijkvloers – ze is hooger – dan is dit vertrek de tweede verdieping. Het vertrek op de eerste verdieping in het nieuwe gedeelte, even hoog als het portierskamertje, hebben we nog niet gezien. We vinden voor een der beide ramen van het achterste gedeelte van ons vertrek een Aeolus-harp. Het raampje in het beschot ziet uit op een trap, en onder deze trap vinden we in den binnenmuur een grooten blinden boog. We gaan langs de wenteltrap nog hooger. Na een paar omgangen komen we bij een leuning, waar de doorgang zeer nauw is. Hier eindigt de houten trap; de opening in den muur kon vroeger door een deur gesloten worden. We bevinden ons in een vertrek onder de pannen, welk vertrek nu twee verdiepingen hooger is, dan de portierskamer. In het vertrek zien we den boezem van den schoorsteen van de keuken. In den binnenmuur bevinden zich twee nissen: een bij de trap bepleisterd, de andere achter den schuinen schoorsteen, waar de steenen, waarmee de nis is dichtgemetseld, nog te zien zijn. Wat dikke steenen! De eigenaar laat zooveel mogelijk met de oude steenen, welke hier en daar in de nabijheid van het huis zijn opgegraven, herstellen. Die nissen waren stellig weleer deuropeningen, welke naar het vertrek aan den anderen kant van den muur toegang verleenden. Om nu in dat vertrek te komen, moeten we weer naar de trap en dan door de deur in den hoek gaan. We vinden alweer een hoog vertrek, dat nu een houten vloer heeft en dat zeker even groot is, als de beide gedeelten van Steenbergen’s kamer samen. We bevinden ons hier in de ridderzaal, die eenmaal getuige was van het sluiten van den zoen tusschen Heeckerens en Bronkhorsten. Deze ridderzaal wordt verlicht door een drietal ramen in nissen. Aan den binnenmuur prijkt een groot houten ornament, dat volgens het onderschrift is opgericht ter nagedachtenis van Heer Andries Baron Schimmelpenninck van der Oije, Heer van beide de Pollen. Het stond eerst in de kerk te Voorst, maar het is in den Franschen tijd door de familie op Nijenbeek geborgen. Misschien is dat gebeurd, na de resolutie van den 11 Februari 1795, door de Provisionele Representanten van het Geldersche Volk uitgevaardigd, waarbij gelast werd binnen zes weken alle wapenborden en schilden in de publieke kerken te verwijderen. Tusschen de beide kapiteelen zien we het wapen van de familie Schimmelpenninck van der Oije: de twee kruisende sleutels. Daaronder staat een helm, geflankeerd door twee handschoenen. Achter de helm hangen een paar sporen. Aan beide zijden telt men de zestien kwartieren van den overledene, terwijl aan weerszijden van de kapiteelen een doodshoofd met een paar doodsbeenderen en een sikkel met de afgesneden aren aan het Memento mori herinneren. De pieken links en rechts zijn denkelijk uit de zestiende eeuw, al draagt een der pieken ook het jaartal 1310. De stoelen welke hier staan, zijn in den Haag gekocht. Bij de deur hangt een wapenkaart der Graven van Leijden. Dicht bij de deurin den tegenovergestelden hoek hangt een zwart bord, waarop eenige bijzonderheden vermeld staan van de drie eigenaren uit het geslacht Schimmelpenninck van der Oije. In 1778 kocht Willem Anne Baron Schimmelpenninck van der Oije van de echtlieden Johanna Elizabeth van Doorninck en Herman Adolf van Nagell het huis Nijenbeek met al de daarbij behoorende goederen, behalve den watermolen en den korenmolen bij den straatweg. De grootmoeder van genoemde Johanna Elizabeth was een zuster van Jan van Steenbergen en met dezen stierf het geslacht uit, dat van 1364 – 1727 bijna onafgebroken in ’t bezit van Nijenbeek is geweest. Deze ridderzaal bestond vroeger uit twee verdiepingen. De hoogste, ongeveer van de lijst, welke rondom tegen de muren is aangebracht, tot de zoldering, werd verlicht door ramen in nissen. Bij een onderzoek was gebleken, dat het bovenste gedeelte van de muren erg bouwvallig waren, er vertoonden zich vele scheuren en de steenen lagen zonder eenig bindmiddel maar los op elkander. Toen bleek het nodig te zijn, den muur te versterken; de nissen werden dichtgemetseld, doch de luiken, welke aan den buitenkant bij die ramen hoorden, zijn gebleven. Er waren meer nissen, waarin stroo werd gevonden en men vermoedt, dat deze als slaapplaatsen voor soldaten hebben gediend. Ook deze nissen zijn dichtgemaakt. Verlaten we deze zaal en gaan we nog hooger, dan komen we na een paar wendingen onder een afdakje. De ruimte is klein en we moeten ons bukkende bewegen; nog eenige treden, de deur geopend en – we kijken naar buiten. Kom maar gerust op den omgang, er is wel ruimte voor een heel gezelschap en al staan we ook hoog, we vallen niet zoo gemakkelijk naar beneden. Wat een prachtig gezicht! Daar slingert de IJsel; rustig zeilt het schip, zachtkens mede voortgeduwd door den stroom. Die stoomboot heeft een lange sleep van zwaar beladen schepen achter zich en trekt ze tegen den stroom op. In de uiterwaarden graast het vee. Hier en daar vertoonen zich kolken, misschien gedeelten van oude IJselbeddingen: dichtbij en veraf staan knotwilgen: korte stammetjes met ronde kruinen. Achter ons ligt Deventer, dichterbij Wilp. Het geelwitte huis, dat zoo sterk tegen de groene boomen uitkomt, is het landgoed de Poll. Links zien we Gorssel, voor ons verheffen zich de torens van Zutphen, dichterbij gluren de witte muren van het landgoed Rijsel, beter bekend als Nederlandsch Mettray, tusschen de wilgen door. Rechts zien we den toren van Voorst. Gaan we in onze gedachten eeuwen terug, en denken we ons toen hier boven op dezen burcht. De lage omgang van nu is het overblijfsel van een hooge borstwering, waarvan de bovenrand tandvormig was. Het dak, dat nu een puntdak is, had nog in 1827, volgens een tekening, een anderen vorm en was met leien gedekt. Maar de omgeving, die we toen konden beschouwen? De IJsel werd nog niet door dijken ingesloten. De bedding was lager, doch de rivier voerde meer water af, getuige de zeeschepen, welke van Zutphen en van Deventer nog in de vijftiende eeuw op Denemarken voeren. Gedurig zette de IJsel het omliggende land onder water en dit land had net zoo’n voorkomen als de waarden, waar nu nog water is, wilg en riet groeien, of het had een nog moerassiger voorkomen. En in die moerassige streek lag Nijenbeek. We bemerken dat de streek wel veel verbeterd is. We zijn den omgang eens rondgewandeld. De gootjes aan de hoeken dienen voor ’t afleiden van ’t water. Op het dak vinden we twee schoorstenen: de eene is van de keuken, de andere van Steenbergen’s kamer. Door het luik in het dak te openen, kunnen we op den bovensten zolder zien, maar er is daar niets op te merken. Nog eenmaal zien we om ons en dan keeren we terug. Vooral bij het afgaan is het bovenste gedeelte van de trap eenigszins lastig. Hierboven onder het dak kon de torenwachter, beschermd tegen regen en zon, naar alle zijden uitkijken. De ijzeren staaf, welke ons een weinig hindert, dient, om den muur te versterken. Bij het naar beneden gaan, zien we, dat elk portaal door een kijkgat wordt verlicht. Weldra komen we weer bij de beide vertrekken; rechts de ridderzaal, links het vertrek bij de trap. Zullen we de trap nu maar nemen? Door het klimmen zijn we al een weinig moe geworden en we zijn nog lang niet beneden. Gelukkig gaat de gids ons al voor. Straks keken we door het raampje voor ons, op de trap; het blijkt ons nu, dat de trap door dat raampje eenig licht ontvangt. Spoedig zijn we beneden en door de deur voor ons komen we in twee vertrekken, die we nog niet gezien hebben. Veel hebben we daarbij niet verzuimd. Deze vertrekken werden door de Steenbergen’s in het begin der zeventiende eeuw gebouwd op de fondamenten uit den tijd van Karel van Egmond. We hebben u slechts te wijzen op de nis in den binnenmuur onder de trap, welke nis even hoog is, als de boog in de cel van Reinald. We zouden hiermee dus een bewijs kunnen geleverd hebben, dat de bedoelde boog aanwezig kon zijn, vóórdat Reinald op Nijenbeek gevangen zat. Dit vertrek verlaten we spoedig. We gaan weer naar de houten trap, doch vinden daarbij een trapje door den binnenmuur. De onderzijde van dit trapje zagen we reeds, toen we de deur van de trap naar de gewelven in de keuken openden. Het trapje brengt ons in het voorste gedeelte van Steenbergen’s kamer en we gaan door dezelfde deur in den hoek naar de wenteltrap. Nu dalen we het onderste gedeelte af, komen heel gauw in de vestibule en treden naar buiten. Onze geleider sluit de deur en gaat naar huis, doch wij moeten hier nog even vertoeven, om het een en ander te zien, dat we later voor onze verdere beschrijving noodig kunnen hebben. …………
We staan nu op het pleintje en kijken naar het gebouw. Even terzijde van den ingang zien we den z.g. traptoren, welke niet zooals elders in de muur is uitgespaard, doch die aan den buitenkant is aangebracht. Deze traptoren zal zeker den hoek van ’t gebouw zeer versterkt hebben. Straks zeiden we reeds, dat een gedeelte van het slot later is bijgebouwd; het gedeelte links van den traptoren is nieuw, het andere rechts is oud. De dunne muren van het eerste wezen er ons reeds op. We zouden haast veronderstellen, dat het onderste gedeelte van den traptoren ook nieuw was. In de eerste plaats is de wending van de trap beneden anders dan boven, in de tweede plaats leerde een onderzoek ons, dat de steenen niet in, maar naast den muur waren gemetseld. Het klimop om de deur en tegen den traptoren versiert het gebouw; maar meteen verbergt het den muur, die nog sporen vertoont, dat er vroeger een huisje tegenaan heeft gestaan. Volgens onze plaat van 1816 stond dat huisje bij het poortje; daar was de deur en een raam, volgens de plaat van 1827 stond dat huisje geheel op het binnenplein en moet dus het stuk muur bij het poortje in 1816 grooter zijn geweest. Nu nog wordt het binnenplein aan de Westzijde door een dun muurtje begrensd, maar onder dat muurtje of tenminste onder tegen dat muurtje hebben we een fundament gezien van minstens 2 voet dikte. Craandijk veronderstelt, dat een ophaalbrug tot het tegenwoordige poortje vroeger toegang verleende. Het bovengedeelte van het poortje is nieuw, want op een teekening in waterverf van 1875 is daarvan niets te zien. Het pleintje verheft zich hoog boven de uiterwaarden en ligt ongeveer 2,5 M. boven de gracht om het slot. Het raampje boven de deur van de kelders is dat van het portierskamertje. We verlaten het plein door de poort. Aan de buitenzijde versterken een paar beeren den poortmuur. Op elken beer houdt een uil een schild vast en als vroeger op dat schild een wapen prijkte, dan is het heelemaal afgesleten. De kleuren zwart en wit van het raampje boven de poort en van de palen van de leuning langs het paadje zijn de kleuren van het geslacht Schimmelpenninck van der Oije. …………
We kijken weer naar het gebouw en gaan eens na, waar we al die ramen gezien hebben. Het onderste met traliën is van den kelder; dat hoogere raam is van het achterste gedeelte van Steenbergen’s kamer; nog hooger zien we het raam van de ridderzaal en de groene luikjes daarboven sloten vroeger de ramen af, die nu zijn dichtgemetseld. In den traptoren zien we een paar van de kijkgaten. Onder den omgang bemerken we een tandvormige versiering, welke men heel eigenaardig haaientanden noemt. Die haaientanden en de vierkante vorm van het gebouw, schijnen er op te wijzen, dat het slot onmogelijk tot de oudste steenen gebouwen kan behooren. Eerst waren de torens rond, later kwam de vierkante vorm in zwang. De burcht kan niet vóór de dertiende eeuw gebouwd zijn. Men rekent, dat hij van omstreeks 1230 is. Als we goed toekijken, vinden we om het raam sporen van aangebrachte veranderingen. Vroeger bevond zich daar een grooter raam, zooals op de plaat van 1827 nog is te zien, het tegenwoordige is beter in overeenstemming met het gebouw. In den hoek bij den traptoren is de muur een weinig schuin. We vinden in dat schuine gedeelte een boog en daaronder een stuk muur, dat veel heeft van een dichtgemetselde deur of raam. Men zou kunnen denken, dat zich daar vroeger de ingang van den burcht bevond en dat men daar over een brug over de gracht in het slot kon komen. Maar de toog is daarvoor wel wat hoog, aan de binnenzijde is daarvan niets te bespeuren en het fondament onder het muurtje van het plein wijst er ook niet op. De plaat van 1827 doet vermoeden, dat het onderste gedeelte van den traptoren toch hooger reikte en dat daar misschien een deur was naar de tweede verdieping van Steenbergen’s kamer. Maar van ramen is ook weinig te bespeuren, die dan toch dat vertrek verlicht moesten hebben. ’t Kan zijn, dat daar van boven naar beneden een scheur liep en dat die scheur later is ingevoegd. De toren is aan drie zijden door een gracht omgeven, welke bij laag IJselwater soms geheel droog is. De westelijke muur vertoont het uitbouwsel, dat de cel van Reinald grooter en ruimer maakt. Onder zien we weer een raam van den kelder, hooger vinden we de ramen van beide cellen, daarboven is het raam van de ridderzaal. Om den hoek gaande bemerken we weer duidelijk de verbinding tusschen de beide gedeelten van het gebouw. In het nieuwe zien we ongeveer boven elkander vier ramen, in het oude drie en nog een klein raampje bij een paar kokers, welke tegen den muur zijn aangebracht. Deze kokers zijn nu van onderen toegemetseld, doch dienden vroeger tot afvoer van het vuil in de gracht. We hebben hier een bewijs, dat de gracht hier vroeger ook moet geweest zijn. De rechthoek van deze zijde wordt weder beschermd door een beer. De vierde zijde heeft ook een koker. We vinden maar drie stompjes muur, welke de overblijfselen zijn van een watermolen. We keeren terug en bekijken nu de omgeving. De boerderij binnen den dijk heet de Konijnenbosch. Daar stond weleer het koetshuis, waarvan de sporen nog onlangs in de voorgang waren te zien. De bewaarder van het slot woont in de boerderij bij Nijenbeek. De bootjes, de netten, enz. wijzen er op, dat hij visscher is. In den tuin, waar de hond ons reeds heeft opgemerkt, heeft men dikke fundamenten opgegraven, die een weinig links van het pad door den tuin en ongeveer daaraan evenwijdig liepen. Ze maakten achter in den tuin een hoek naar rechts en in dien hoek werd een vloer gevonden, bedekt met leien en verkoold hout. Langen tijd stond in den donkeren hoek van den tuin een stuk muur en verder vond men wat dichter naar het huis een gedempten, ronden put. Het gebouwtje bij den weg is de z.g. Landheerskamer. De dijk liep vroeger achter dit gebouwtje en zoo naar de Konijnenbosch. De gedempte gracht voor de landheerskamer is later gevuld en met den grond gelijk gemaakt. Er is hier dus veel veranderd: de dijk is verlegd, de gracht gedempt en op sommige plaatsen geheel gevuld, waardoor het onderzoek moeilijk is geworden. Gaan we om den hof heen, dan zien we daarachter een laagte. Hier was een gedeelte van de buitengracht van Nijenbeek. Aan de overzijde van de beek zijn nog sporen van die gracht te vinden. ………….